3. De hoogdagen van de autosnelwegenaanleg (1965-1973)
Resultaat: uitbreiding van het autosnelwegennet
Het eerste programma van minister
Jos De Saeger
(1966) omvatte 1651 km autosnelwegen, die
qua ligging niet erg afweken van de schikkingen in het
plan van 1960.
De provincie Luxemburg bleef een blinde vlek op de wegenkaart van België. Het
autosnelwegenprogramma van 1971 bracht daar verandering in. Tal van
nieuw geplande verbindingen leverden een totaal op van 2076 km; in 1972 bereikte het
programma zelfs 2394 km. Het feit dat tussen 1965 en 1970 de wet op de stedenbouw
van 29 maart 1962 in uitvoering gebracht werd in de vorm van de voorontwerpen van de
gewestplannen, kan naast de toename van het verkeer (2 327 190 voertuigen in 1970) een
verklaring bieden voor de gigantische uitbreiding van het geplande autosnelwegennet. Het
werd, nu de overheid het ruimtegebruik bij wet zou vastleggen, nog belangrijker om het
land van de nodige verkeersinfrastructuur te voorzien, met het oog op de toekomstige
behoeften.
Het autosnelwegenprogramma 1972, met aanduiding van de E19 en de nieuwe
noord-zuidverbindingen.
Terwijl het programma van 1966 nog zwoer bij het
radiale patroon,
dat terugging op het eerste autosnelwegenprogramma van 1949, kan men in de plannen van 1971 en 1972
daarentegen een
rasterpatroon
ontwaren. Aangezien op dat moment slechts slechts één noordzuidverbinding in aanleg was, namelijk de E19, stelde
Openbare Werken nieuwe verbindingen voorop als Perkpolder-Bergen (A20), Tildonk-Bertem-Waver (A22), Tilburg-Namen
(A23) en Eindhoven-Hasselt-Hoei (A24).
De termijnen waarin de autosnelwegen tot stand kwamen tijdens de 'zeven vette jaren'
waren al even indrukwekkend als bovenstaand programma. Met de 116 km aangelegd in
1970 werd de eis van de BWF uit 1963, "100 kilometer snelweg per jaar," ingewilligd. In 1971 werd dit
tempo aangehouden (118 km), en met 275 km was 1972 ook voor de daadwerkelijke realisatie van het netwerk
het hoogtepunt. Tegen het einde van De Saegers bewind tekenden zich de resultaten af
van de eerder doorgevoerde hervormingen. Het merendeel van de werken was toen in zijn
eindfase terecht gekomen en de openstellingen volgden elkaar in sneltempo op. De 306 km
in dienst in 1965 werden er 890 eind 1972. De kranten spraken zich lovend uit over de verwezenlijkingen;
zij noemden Brussel zowaar "de draaischijf van de Europese snelwegen."
Ontwikkeling van het netwerk (1965-1972). Een overzicht van de indienststellingen van jaar
tot jaar kan u vinden in de sectie Het snelwegennet in kaart.
Totaal aantal km autosnelweg in dienst op het einde van het aangegeven jaar.
jaar
aantal km
1961
187
1962
207
1963
218
1964
306
1965
306
1966
313
1967
344
1968
386
1969
420
1970
498
1971
617
1972
890
1973
956
Gezien de hoge kredieten konden de 'autosnelwegen van De Saeger' niet enkel in
kwantiteit uitblinken; ook de kwaliteit was navenant. Zo werd bij het ontwerp van snelwegen met
tweemaal twee rijstroken het
platform
meestal op een verbreding voorzien, moest die in de toekomst noodzakelijk blijken.
Later zouden geen onteigeningen meer nodig zijn. Inmiddels heeft deze voorzienigheid op verschillende
plaatsen haar nut bewezen, ondermeer op de E17 tussen Kortrijk en Gent, en op de E42 in de omgeving van Bergen
en Luik.
De extra rijstroken zouden dus komen te liggen in de middenberm, die in afwachting rijkelijk beplant werd
met groen. Hierdoor raakte de nieuwe weg niet alleen op een gepaste manier ingebed in het landschap; het kwam meteen
ook de verkeersveiligheid 's nachts ten goede, want verblinding door tegenliggers werd zo goed als onmogelijk.
Verder investeerde men in wegverlichting, veiligheid en neveninrichtingen om het
de weggebruiker zo comfortabel mogelijk te maken. In 1960 was al beslist de toegangscomplexen
van verlichting te voorzien; vanaf 1969 werd op de snelwegen continue
verlichting aangebracht. De meerkost van deze operatie bedroeg amper 20 tot 25%, terwijl
de verkeersveiligheid er niets dan baat bij had. Met doorlopende verlichting kon het 'zwarte gat' weggewerkt
worden, dat zich bevond na elke verlichte aansluiting en dat de oorzaak was van talrijke ongevallen. In 1967
verschenen tevens de eerste inwendig verlichte verkeersborden en wegwijzers langs de snelwegen.
Openbare verlichting langs de autosnelwegen (jaren 1970).
Hoewel er al in 1958 plannen voor 'toeristische parkeerruimten' bestonden, zou
het tot 1970 duren vooraleer echt werk werd gemaakt van deze belangrijke uitrustingen.
Daarmee had België een aanzienlijke achterstand opgelopen ten aanzien van zijn
buurlanden. Iedere weggebruiker weet immers hoe belangrijk het is om tijdens lange ritten regelmatig
halt te houden. Tankstations kon men tot dan toe wel aantreffen ter hoogte van enkele
toegangscomplexen. Zo stonden ze langs de E40 Brussel-Oostende opgesteld aan
de aansluitingen Aalst, Sint-Denijs-Westrem en Loppem.
Tankstation gelegen aan de afrit Aalst van de E40 richting Brussel
(eind jaren 1960).
Om een plan uit te werken dat alle snelwegen op regelmatige afstanden moest voorzien van parkings,
tankstations, restaurants en motels, riep minister De Saeger een Commissie der neveninrichtingen langs
de autosnelwegen in het leven. Een zesde autosnelwegendirectie belastte hij met de
inplanting van deze faciliteiten op het terrein. De neveninrichtingen werden om budgettaire
redenen in concessie gegeven aan privé-uitbaters. Van de oorspronkelijk voorziene
inplantingen is overigens bar weinig in huis gekomen,
hoogst waarschijnlijk wegens besparingen in de jaren 1970 en 1980.
In de sectie Dossiers vindt u de processen van besluitvorming en aanleg van de grote verbindingsassen,
hieronder opgesomd, die onder De Saeger tot stand kwamen. Terwijl de bouw ervan door de bevolking alom geprezen en
gewaardeerd werd, stuitten de stedelijke snelwegen al gauw op verzet. Hierover meer op de volgende pagina...